Onderwerp

Een goed onderwerp is het halve werk. Neem altijd een onderwerp waarin je zelf ook echt geïnteresseerd bent. Het is belangrijk dat hierover voldoende informatie beschikbaar is. En uiteraard moet je leraar het een geschikt onderwerp vinden.

naar boven

Probleemstelling

Wat wil je nou eigenlijk precies beschrijven in je scriptie of werkstuk? Waarom dit onderwerp? Wat wil je over het onderwerp vertellen? Waarom wil je dat doen? Schrijf de antwoorden op deze vragen voor jezelf op. Het komt tijdens het schrijven van de inleiding goed van pas.

naar boven

Materiaal verzamelen

De bibliotheek is een goede plek om te beginnen. Welke boeken zijn er over jouw onderwerp? Wat staat er over in de encyclopedie? En wat kan je er op internet over vinden? In de bibliotheek staat ook Pyttersen's Nederlandse Almanak. Hierin staan de adressen en telefoonnummers van alle organisaties in Nederland. Welk onderwerp je ook hebt gekozen, er blijkt altijd wel een club of stichting te zijn die zich daar al jaren mee bezighoudt. Bel ze op en vraag om informatie. Ze helpen je graag. 

naar boven

Indeling

Als je al je materiaal hebt verzameld, moet je een indeling gaan maken. Wat zet je in de inleiding, welke hoofdstukken komen er? Wat voor conclusie trek je aan het einde? De hoofdstukindeling kun je maken door de belangrijkste onderdelen van je onderwerp onder elkaar te zetten. Het is handig om de indeling te maken voordat je informatie gaat verzamelen. Dan weet je precies waarnaar je op zoek moet. Als je tussentijds op extra informatie stuit, kun je de indeling altijd nog veranderen. Aan het eind vermeld je de bronnen waaruit je hebt geput.

naar boven

Schrijven

En dan is het tijd voor misschien wel het moeilijkste onderdeel: het schrijven. Als je je aan de volgende regels houdt, valt het misschien mee. Schrijf de inleiding pas het laatst. Daarin moet je zetten waarom je het onderwerp hebt gekozen. Wat heb je onderzocht en hoe heb je het gedaan? Dit is dus de probleemstelling. Pak het vel papier erbij waarop je de vragen die je aan het begin stelde, hebt opgeschreven. Ook is het nuttig om op een kladblaadje te schrijven wat je per hoofdstuk aan informatie wilt behandelen. Zo hou je het overzicht.

naar boven

Conclusie

De conclusie is heel belangrijk. Daarin moet je je mening geven over het door jouw onderzochte onderwerp. Dus als je over moderne media zoals internet schrijft, moet je aangeven of je de opkomst van de elektronische snelweg een goede zaak vindt of juist heel slecht. En waarom vind je dat? Uiteraard moet je conclusie overeenkomen met de rest van je scriptie of werkstuk. Dus schrijf niet dat je internet hartstikke gaaf vindt, terwijl je het in de conclusie afkraakt.

naar boven

Taal

Schrijf korte zinnen en gebruik geen moeilijke woorden (in ieder geval geen woorden waarvan jij niet weet wat ze betekenen). Is het duidelijk wat er staat? Herhaal je bepaalde woorden niet te vaak? Leg je afkortingen uit? Vermijd ook taalfouten. Vraag als je hier moeite mee hebt je leraar Nederlands eens om hulp. Als je een stukje uit een krant of een boek hebt overgeschreven, zet dit er dan bij (bronvermelding). Lees verder je tekst altijd kritisch over. En laat het eindresultaat ook lezen door iemand anders voordat je hem inlevert. Bij voorkeur door iemand die geheel fris tegenover het onderwerp staat. Zo voorkom je dat je iets over het hoofd ziet.

naar boven

Het oog wil ook wat

Al is je werkstuk nog zo goed, als je het als een vodje inlevert krijg je waarschijnlijk een slechte beoordeling. Schrijf of type netjes. Hou een brede kantlijn en een behoorlijke regelafstand aan (anderhalve regel op de pc). Gebruik tussenkopjes, ongeveer een of twee op iedere pagina. Neem hiervoor een woord dat belangrijk is in de volgende alinea. Plaatjes en grafieken kunnen je werkstuk mooier maken. Je vindt ze in boeken, tijdschriften, op internet of natuurlijk in je eigen fotoarchief. Voeg plaatjes liefst direct in je tekstverwerkingsprogramma in (door te knippen en plakken of gebruik te maken van een scanner). Mocht je een afbeelding of grafiek willen opplakken, maak er dan geen zooitje van! Ook van de voorkant kun je iets moois maken. Bijvoorbeeld door een of meer kleurenfoto's te gebruiken. Voor een klein bedrag maak je daar al een kleurenkopie van. Ook kun je in een kopieerwinkel een ringbandje om je scriptie laten maken. Dat oogt een stuk beter dan een slordig stapeltje papier.

naar boven

Regels

Veel leraren stellen regels vast waaraan een werkstuk moet voldoen. Bijvoorbeeld over de lengte, de inhoud en de vorm. Hou je aan deze regels! Als je het toch anders wilt doen, bespreek dat dan eerst met je leraar. Het is zonde als je een lager cijfer krijgt omdat je je niet aan de regels hebt gehouden.

naar boven

Verdedigen van je werkstuk

Wellicht moet je je werkstuk in een gesprek met de leraar verdedigen. Het kan zijn dat de leraar het niet eens is met jouw conclusie. Dat hoeft ook niet. Als jij maar kunt uitleggen waarom jij tot die conclusie bent gekomen. 

naar boven

10 tips

• Kies een onderwerp dat je interesseert. 
• Overleg met je leraar. 
• Zet voor jezelf op papier wat er in je scriptie of werkstuk moet staan. 
• Beperk het onderwerp, zodat je het kunt overzien. 
• Volg in kranten en op radio en tv de actuele gebeurtenissen over jouw onderwerp. 
• Neem de tijd voor het schrijven. 
• Begin ieder hoofdstuk op een nieuwe pagina. 
• Denk aan de paginanummering. 
• Schrijf eenvoudig en duidelijk en let op taalfouten. 
• Zorg dat het einderesultaat er goed uitziet.

Op internet kun je ook heel veel informatie en handige tips vinden, bijvoorbeeld op studieinfo.nl

naar boven

Informatie over vakbeweging

‘Samen sta je sterk’. Dat weet iedereen. Als je iets wilt veranderen of verbeteren, dan is de kans dat dit lukt groter als je medestanders hebt. Of dat nou op school is, of straks als je ergens werkt. Daarom zijn werknemers lid van een vakbond. 
In Nederland zijn ongeveer 1,8 miljoen mensen lid van een vakbond. Die vakbonden hebben zich op hun beurt weer verenigd in een vakcentrale, net zoals Ajax, Feyenoord en PSV lid zijn van de KNVB. 
Bij de vakcentrale FNV zijn zestien vakbonden aangesloten die in totaal 1,2 miljoen leden hebben. Hiermee is de FNV de grootste vakcentrale van Nederland. Niet alleen mensen met een baan (werknemers) zijn lid van een bond, maar ook mensen met een uitkering en werkzoekenden. 

De vakbeweging in Nederland bestaat ruim 100 jaar. Zij is ontstaan tegen het eind van de negentiende eeuw, gelijktijdig met de industriële revolutie. De arbeidsomstandigheden waren slecht, de lonen laag. Een werknemer die zijn mond opendeed, liep grote kans ontslagen te worden. Rechtsbescherming bestond niet. Van sociale wetten had nog nooit iemand gehoord. 

In Nederland is het jarenlang gewoonte geweest dat er van elke organisatie drie stromingen waren: een katholieke, een christelijke en een algemene socialistische. Dat opdelen in drie stromingen werd ‘verzuiling’ genoemd. Tegenwoordig gebeurt dat niet meer. Maar op het moment dat de vakbeweging werd opgericht was de verzuiling heel sterk. 
Op 30 juli 1905 werd het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) opgericht. Op 1 januari 1906 ging het NVV als verbond van start. Dertien bonden sloten zich bij deze algemene vakcentrale aan. Als reactie hierop werd drie jaar later het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) opgericht. Zowel protestantse als katholieke leden konden daar terecht. Maar de bisschoppen verboden de rooms-katholieke werknemers al snel lid te worden van CNV of NVV. Voor hen kwam er in 1909 een aparte organisatie, de Rooms Katholieke Werkliedenverenigingen (RKW). 
De verzuiling leidde tot een gebrek aan eensgezindheid. Toch werden de eerste successen binnengehaald, zoals de Arbeidstijdenwet in 1919, waarin de achturige werkdag werd vastgelegd. In 1930 werd de stuwadoorswet aangenomen waarin de positie van havenwerkers werd beschermd. In hetzelfde jaar kwam de winkelsluitingswet tot stand. 

Voor de Tweede Wereldoorlog had de Nederlandse vakbeweging (dat waren toen NVV, RKW en CNV) zo’n 798.000 leden.
De Duitsers verboden tijdens de oorlog iedere vorm van vrije meningsuiting en het recht op vereniging. De vakbeweging werd verboden om zelfstandig te blijven. CNV en RKW besloten door de maatregelen van de bezetter om zichzelf op te heffen. Het NVV werd, zoals andere socialistische organisaties (uitgeverij de Arbeiderspers en de krant Het Volk), door de bezetter (ze werden echt letterlijk bezet) overgenomen.
Na de oorlog, in 1945, zijn CNV en RKW opnieuw opgericht. Het RKW ging toen de Katholieke Arbeiders Beweging (KAB) heten. In 1964 veranderde naam van KAB weer in NKV (Nederlands Katholiek Vakverbond).
De drie vakcentrales bleken na de bezetting met elkaar te willen samenwerken. Dat was een resultaat van illegaal overleg tijdens de oorlog. Ook kwam er een overleg tussen vakbondsleiders en werkgevers op gang. Hiervoor is tijdens de bezetting de basis gelegd. Na de oorlog, werd de Stichting van de Arbeid (STAR) opgericht, die nog steeds bestaat. 

In de jaren vijftig bleek er opeens heel veel mogelijk. De vakbeweging bereikte het ene resultaat na het andere. Werknemers mochten niet langer worden ontslagen zonder toestemming van de arbeidsbureaus. Er kwam een staatspensioen (AOW). Sociale uitkeringen werden verhoogd en de looptijd van de uitkeringen werd verlengd. In 1961 werd de vrije zaterdag ingevoerd.
De veranderingen hadden ook gevolgen voor de drie vakcentrales. NVV, NKV en CNV spraken vanaf 1974 zelfs over een fusie. Uiteindelijk gingen NVV en NKV in 1976 samen op in de Federatie Nederlandse Vakbeweging, FNV. Het werd de grootste vakcentrale van Nederland en is dat nog steeds. Het CNV koos ervoor zelfstandig door te gaan. In 1974 ontstond er nog wel een andere vakcentrale: de MHP, de vakcentrale voor middengroepen en hoger personeel. Verder zijn er enkele kleinere zelfstandige (meer vakgerichte) bonden.

naar boven